Voorwoord
De herkomst van de naam CORSMIT
in de genealogie is al eerder door anderen gesignaleerd.
Het “Meertens Instituut” verwijst met haar naamsvermeldingen en
literatuurreferenties al in 1982 naar de naam Cortesmidt om aan
te duiden dat het hier om adjectieven en beroepsnamen met de
nodige varianten gaat, zoals: Korsmit, Kortsmit, Korssmit en
Corssmit. Vergelijk: Langschmidt [L.A. Verhelst, ‘Kwartierstaat
Verhelst’, in: GTMWB 6 (1982), p.198].
De door mij gedragen en ook zo
geschreven naam Corsmit, komt in begin 1700 al voor blijkens het
‘’Wapenregister”, in JB CBG 45 (1991) pagina 259, met de naam
“Willem Marijnis Corsmit, geboren te Oudenbosch ca 1726”. Andere
bronnen vermelden de geboorte van een dochter “Adriaantje
Marijnisse” in 1707 van waarschijnlijk dezelfde “Willem Marijnis
Corsmit”. De naam komt wijd verbreid in heel Brabant voor en met
name in de Omgeving van Oudenbosch, Oud en Nieuw Gastel, Breda,
Zevenbergen en de omgeving van Roosendaal. Zij hebben allen veel
met elkaar van doen maar bieden niet altijd feitelijke
aanknopingspunten, wat het maken van een stamboom dan ook niet
makkelijker maakt.
Zo hebben de families Mathee en Verhelst al in de beginjaren
van 1970 vrij uitgebreide studies van hun voorgeslacht gemaakt
die – ook recentelijk – nog geen aanknopingspunten met mijn
stamboom hebben opgeleverd. Overigens komen de namen van mijn
overgrootvader en betovergrootvader in de onderscheiden
registers van de Burgerlijke Stand, de Doop- Begraaf en
Geboorte-boeken, zowel met een K als wel met een C voor.
Overzichtelijker is het voor
mij om uit te gaan van mijn grootvader / stamvader Johannes
Jacobus Corsmit, geb. op 4 april 1852 te Vlissingen. Hij
emigreerde naar Nederlands-Indië en huwde omstreeks 1884 een van
Duitse origine Marine-officiersdochter uit Soerabaja: Elisabeth
Petronella Schell, geb. te Soerabaja op 17.11.1863 en overleden
tijdens de IIe W. Oorlog op haar “eenentachtigste” levensjaar in
het Japanse uithongeringskamp “Ambarawa” 6! Mijn grootvader
stichtte in Soerabaja de (eerste) piano-fabriek onder de naam
‘John Corsmit ‘die door zijn zijn overlijden op 30 maart 1903 te
Soerabaja, over ging op de Fa. W.Naessens & Co. te Soerabaja.
Het smakelijk geschreven boek van Hans van de Wal, dat het leven
uit die jaren in Soerabaja beschrijft, (Indië in den Goeden
Ouden Tijd) [Drukkerij NIX] (1) vermeldt mijn grootvaders
exuberantie als hij expliciet de ‘djati-houten’- schenking aan
het Koninklijk huis bij wijze van reclamestunt vermeldt.
Mijn website opent dan ook met
zijn beeltenis in het midden, met rechts de foto met hemzelf,
zijn vrouw Elisabeth Petronella Schell, en baby: Johannes
Christoffel Willem Corsmit [07.021885 – 15.06.1972. Links van
hem, de foto van mijn ouders bij hun verloving in 1915: Theodora
Eveline Polak [7.11.1898 – 15.09.1979] met mijn vader (de tweede
zoon) August Florantinus Cornelis Jacobus [23.03.1889 –
17.03.1974]. De derde en jongste zoon : Eduard Petrus Theodoor
Corsmit, [14.02.1891 – 19.12.1939] is hier niet op deze foto
afgebeeld. De drie zonen van Johannes Jacobus Corsmit, mijn
grootvader, zijn allen vernoemd naar zijn vader en zijn broers.
Mijn eerste kennismaking met
navorsingen over het voorgeslacht was bepaald geen hobby, eerder
een nare herinnering, die mij tot op de dag van heden is
bijgebleven. Anders gezegd: “Hierdoor heb ik mijn eigen
identiteit ontdekt”! Ik heb Joodse voorouders en zij waren
verliefd op elkaar maar waren tegelijkertijd ook volle,
bloedeigen neef en nicht (uit Amsterdam) en konden door Bijbelse
(en ook Joodse) en wettelijke bepalingen daardoor in Nederland
niet met elkaar trouwen. In Indië konden zij trouwen! Zij,
werden er gelukkig, kregen er kinderen en zijn er ook gebleven.
Dat laatste gold in het bijzonder ook voor mijn Zwitserse,
Franse, Duitse, Nederlandse (en Boeginese vrouw [Celebes] Sabiba
(Jabiba of Habiba) betoudovergrootmoeder waarschijnlijk een
slavin) voorouders.
In de begin- jaren zestig was
ik genoodzaakt genealogisch onderzoek te doen vanwege mijn op
handen zijnde trouwplannen met Marijke van Geffen. Ik ben geboren
in het voormalig Nederlands-Indië en mijn verblijf daar dateert
uit 1951. Bij mijn huwelijk in 1963 was ik genoodzaakt
“originele Nederlandse” geboorteakte bij de Burgerlijke Stand te
’s-Gravenhage te overleggen om mijn Nederlanderschap te kunnen
aantonen. Ik beschikte aanvankelijk slechts over een in de
Indonesische taal gestelde geboorteakte. In 1963 nam men daar
geen genoegen mee! Door tussenkomst van een Oom, een bekende
genealoog in Malang (Midden-Java) Drs. J.B.A.F. Mayor Polak (een
broer van moeders zijde) die ook in de stamboom voorkomt, kwam
ik in het bezit van een in het (Archaïsch-) Nederlands gestelde
geboorteakte, die ook heel bijzonder – gelukkig in mijn voordeel
- voor de Haagse ambtenaren van de Burgerlijke Stand ‘leesbaar’
bleek te zijn!
Ik moest ook nog kunnen beschikken over een z.g.:
“Verklaring van Nederlanderschap” en dáárvóór moest ik ook nog
kunnen beschikken over een uittreksel uit het Bevolkingsregister
van Vlissingen, waar mijn grootvader geboren was, en wel om
reden dat ook mijn ouders (in den vreemde) in Soerabaja (N.Indië)
geboren waren en dat was voor hen wel héél ver weg.
Wel vroegen de Haagse ambtenaren zich in goede gemoede af of
Bandoeng en Soerabaja, met -oe- wel dezelfde plaatsen waren als
Bandung en Surabaya met - u - zoals de Indonesische versies,
door mijn vriend en klasgenoot Prof. Anton Moeljono waren
gewijzigd.
Al deze stukken bevinden zich nu in de veilige archieven van het
Centraal Bureau voor Genealogie te ’s-Gravenhage waar zich ook
de stambomen van de aanverwante families : Mayor (Zwitsers) en
de Rochemont (Frans) bevinden. Komend jaar zal de Joodse tak van
mijn moeder Polak, nog verder nader worden uitgewerkt.
Vijftig jaar geleden was het
Nederlanderschap een zeer kostbaar bezit. Je moest er wel wat
voor gedaan hebben. Onder de Jappen en Nazi’s was dat niet zo.
Ik schreef eerder dat ik in de genealogie ik mijn identiteit heb
ontdekt. Ik krijg daar de ruimte om de dingen in perspectief op
hun plaats te zetten. Het is mij een behoefte daarvan en daarmee
onweerlegbaar te kunnen getuigen! Het rechtvaardigt mijn bestaan
(!), een bestaan dat mijn generatie (zo onbeschrijfelijk
afschuwelijk als het is) en met mij miljoenen, door Jappen en
Nazi’s botweg werd ontzegd! (2)
Ik heb Joodse voorouders en daar ga
ik prat op! Ik voel mij daadwerkelijk met hen verwant omdat ik
ook de verdelging van mensen door uithongering en het bewust
infecteren doormiddel van ‘bacillaire dysenterie’ in
gevangenschap van zeer nabij heb meegemaakt! De atoombom heeft
mijn leven, en miljoenen met mij, gered! Het Europa van vandaag
is zich niet of nauwelijks bewust wat er had kunnen gebeuren als Niels Hendrik David Bohr (Kopenhagen 7 oct 1885 –
18 november
1962) in 1943 niet onder de neus van de Nazi’- vandaan was
ontvoerd, omdat onderwijzers te belazerd zijn fatsoenlijk
geschiedenisles op school te geven.
Dat laatste levert mensen op
die de grootsmogelijke apekool en levensgevaarlijk baarlijke
nonsens kunnen verkopen zonder dat zij kunnen worden
tegengesproken!
Hoewel het aan mij, door mijn
huidskleur, niet is te zien ben ik in hart en nieren een
allochtoon en dat zal, gezien mijn leeftijd, wel zo blijven.
Theo Corsmit, 4 mei 2004
|